Algemeen
De Wet heeft in hoofdstuk 6 de regulering van handelingen van derden in het watersteem opgenomen. Dat reguleringsstelsel voorziet in de introductie van de watervergunning en algemene regels. Centraal daarbij staan de doelmatige bescherming van het watersysteem en een efficiënte dienstverlening voor burgers en bedrijven. Zo komt er voor samenhangende activiteiten in het watersysteem één watervergunning. Voorts vallen meer handelingen in het watersysteem onder algemene regels. Dit leidt tot lastenvermindering voor burgers en bedrijven. Voor de waterbeheerder is deze introductie op een andere manier van groot belang: tegenstrijdigheden tussen verschillende waterwetten behoren tot het verleden. Tot slot is de afstemming met andere vergunningstelsels geborgd door het instellen van 1 loket voor de uitvoering van het behandelen van vergunningaanvragen. De reglementaire bevoegdheid van de waterschappen om bij Keur regels te stellen, blijft bestaan. Een dergelijke benadering past ook bij het aan de Waterwet ten grondslag liggende uitgangspunt van ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’.
Wat centraal moet, is ook te vinden in hoofdstuk 6 van de Wet. Dat wordt ingegeven door internationale verplichtingen of bovenregionale belangen. Het is dan wenselijk of zelfs noodzakelijk om bepaalde handelingen – of die nu betrekking hebben op een watersysteem in beheer bij het Rijk of bij een waterschap – voor alle watersystemen op uniforme wijze te regelen. Een voorbeeld van dergelijke handelingen zijn de voorheen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gereguleerde lozingen van afvalstoffen , verontreinigende of schadelijke stoffen. Voor zover derhalve het Rijk een bepaald onderwerp heeft geregeld, zijn waterschappen niet langer onverkort bevoegd om daarin nog zelfstandig bij verordening te voorzien, mede ook op grond van artikel 59 van de Waterschapswet.
De bevoegdheid van waterschappen om bij verordening (bedoeld wordt: de Keur) regels te stellen inzake handelingen in de onder hun beheer vallende watersystemen, is neergelegd in artikel 56 van de Waterschapswet. In dat kader staat het de waterschappen ook vrij om naast de reeds op grond van de artikelen 6.2 en 6.3 van de Waterwet vergunningplichtige handelingen, nog andere handelingen vergunningplichtig te stellen. Het gevolg daarvan is dat zodra een waterschap ervoor kiest om nog andere handelingen vergunningplichtig te maken of anderszins aan een toestemmingsvereiste te binden, die handelingen automatisch onder de watervergunning vallen. De waterschappen creëren dus geen zelfstandige vergunningstelsels meer. Bedoeling daarvan is dat de uitgangsgedachte van 1 watervergunning daarmee overeind blijft en nog belangrijker dat de integrale afweging van de bij het waterbeheer betrokken belangen blijft gewaarborgd.
Artikel 4.1 Watervergunning wateren
Het eerste lid van artikel 4.1 betreft het aanleggen van wateren.
In het tweede lid dit artikel worden wateren en zones beschermd.
Het verbod in artikel 4.1, aanhef en onder a, betreft het verrichten van werkzaamheden. Bij het begrip, ‘werkzaamheden' moet een verband gelegd worden met verrichten van handelingen. Onder werkzaamheden vallen o.a. aanleg-, bagger-, boor-, bouw-, graaf-, demping- herstel-, onderhoud-, plant- reparatie-, revisie-, sloop-, uitbreiding-, verbouw en herbouwwerkzaamheden. Werkzaamheden betreffen zowel werkzaamheden die tot doel hebben verandering te brengen in de staat van wateren, als werkzaamheden die dat niet tot doel hebben maar waarvan onbedoeld effect is dat verandering wordt gebracht in de staat van die werken. Onder dit verbod valt bijvoorbeeld het dempen van een water.
Van het begrip 'werken' is in artikel 1 een definitie gegeven. De verboden onder b tot en met l spreken voor zich.
Artikel 4.2 Toepassingsgebied
Voor B- en C-wateren heeft het waterschap de verboden bedoeld in artikel 4.1, tweede lid onder b en c buiten werking gesteld en voor wat betreft artikel 4.1., tweede lid onder a de werkzaamheden behorende bij de uitvoering van het onder b en c genoemde. (Dit betreft onder andere de werkzaamheden voor het leggen van een duiker).
Het is vooral in het belang van de aangelanden zelf om zorgvuldig met het water om te gaan. Mochten er desondanks toch situaties in strijd met het algemeen belang ontstaan, dan heeft het waterschap via artikel 4.15, zorgplicht, de mogelijkheid tot optreden.
Artikel 4.3
Ingevolge dit artikel worden waterkeringen en zones beschermd.
In dit artikel worden onderscheiden: verboden die gelden voor de kernzone (lid 1); verboden die gelden voor de kernzone en beschermingszones (lid 2); verboden die gelden voor de kernzone en beschermingszones en buitenbeschermingszones (lid 3).
De verboden voor de kernzone zijn verdergaand dan die gelden voor de beschermingzones omdat bepaalde handelingen, indien ze de beschermingszones worden uitgevoerd, het waterkerend vermogen van de waterkering niet aantasten terwijl ze, indien ze op de waterkering plaats zouden hebben, wel degelijk het waterkerend vermogen zouden kunnen aantasten. Voor dit soort handelingen geldt veelal dat ze ook niet kunnen worden toegestaan in de directe nabijheid van de kernzone voor de buitenbeschermingszone geldt het minst vergaande regime.
Het verbod in artikel 4.3, lid 1 regelt de verboden voor de kernzone.
Van het begrip 'werken' is in artikel 1 een definitie gegeven. De verboden onder b tot en met l spreken voor zich.
Ingevolge het bepaalde in het eerste lid onder f is het verboden in de kernzone dieren te laten weiden. Onder dieren worden verstaan alle gedomesticeerde dieren, dus zowel de grote huisdieren als varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren als schapen en geiten, als de kleine huisdieren als kippen, ganzen en ook honden.
Het verbod in artikel 4.3, lid 2 aanhef en onder a, betreft het verrichten van werkzaamheden. Bij het begrip, ‘werkzaamheden' moet een verband gelegd worden met verrichten van handelingen. Onder werkzaamheden vallen o.a. aanleg-, bagger-, boor-, bouw-, graaf-, demping- herstel-, onderhoud-, plant- reparatie-, revisie-, sloop-, uitbreiding-, verbouw en herbouwwerkzaamheden. Werkzaamheden betreffen zowel werkzaamheden die tot doel hebben verandering te brengen in de staat van waterkeringen, als werkzaamheden die dat niet tot doel hebben maar waarvan onbedoeld effect is dat verandering wordt gebracht in de staat van die werken. Onder dit verbod valt niet agrarisch gebruik, zoals ploegen.
Het vierde lid van artikel 4.3 tenslotte verbiedt het plaatsen van werken in het profiel van vrije ruimte. Dit is belangrijk om in de toekomst met name de wateropgaven omtrent dijkverbeteringen te kunnen realiseren.
De overige verboden van artikel 4.3 spreken voor zich.
Het verbod in Artikel 4.4 dient ter bescherming van de bergingsgebieden. Bergingsgebieden worden in bestemmingsplannen door het college van Burgemeester en Wethouders vastgesteld. Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt is het van belang de beoogde bergingscapaciteit te waarborgen.
Artikel 4.5 Algeheel verbod bij calamiteiten
In artikel 4.5 worden regels gesteld in geval zich calamiteiten voordoen. Het bestuur kan dan bijvoorbeeld verbieden water te onttrekken. Er wordt dan afgeweken van de normaal geldende regels, welke afwijking tijdelijk is en waarvoor geen vergunning nodig is en ook geen algemene regels gelden. De Waterwet (artikelen 5.23 tot en met 5.26) stelt regels omtrent het gevaar voor waterstaatswerken. Deze artikelen geven de waterbeheerder ruime bevoegdheden.
Artikel 4.6 Verbod versnelde afvoer door verhard oppervlak
Artikel 4.6 over het versneld afvoer van water naar een oppervlaktewaterlichaam door aanleggen van verhard oppervlak kan in principe via een goed doorlopen van het proces van watertoetsen de vergunningverlening aanzienlijk vergemakkelijken. Het waterschap dient hiervoor beleidsregels vast te stellen. Nog beter is het als het waterschap in een vroeg stadium bij de gemeente om de tafel zit en aangeeft dat de initiatiefnemer de waterhuishoudkundige aspecten ter plaatse betrekt bij zijn plannen en daartoe in overleg treedt met het waterschap. Maatregelen kunnen dan tijdig worden getroffen. Mocht toch nog die derde een dergelijke activiteit hebben gerealiseerd met grote negatieve invloed op de waterhuishouding, dan beschikt het waterschap in deze Keur over een instrument om ongewenste afvoeren op het bestaande stelsel tegen te gaan. Het lozen van het hemelwater op oppervlaktewater is de laatste stap in de trits vasthouden-bergen-afvoeren zoals die is opgenomen in het Nationaal Bestuursakkoord Water. Door de bepaling zo op te nemen kan in het vergunningstraject worden beoordeeld of deze trits is doorlopen en er voldoende inspanning is verricht alvorens er geloosd wordt op oppervlaktewater. Hierbij dient bedacht te worden dat er altijd sprake is van maatwerk. In beleidsregels kunnen hierover nadere regels worden gesteld.
Dit verbod ziet niet op lozingen vanuit overstorten
Artikel 4.13 Algemene regels
De algemene regels waartoe artikel 4.13 de mogelijkheid biedt, zien toe op het vaststellen van regels door het bestuur. Die regels kunnen inhouden een vrijstelling van de vergunningplicht of juist een algeheel verbod op het verrichten van die handelingen. Voordeel van zo’n bepaling is dat het waterschap maatwerk kan verrichten.
Artikelen 4.7 tot en met 4.12 en 4.14 Regulering van handelingen
De verdere inhoud van hoofdstuk 4 van deze Keur (artikelen 4.5 tot en met 4.15) gaat in op algemene regels, de watervergunning, de meldplicht en de meet- en registratieplicht voor het lozen of onttrekken van water met betrekking tot oppervlaktewaterlichamen en voor het onttrekken van water aan grondwater.
De systematiek van dit gedeelte is als volgt: allereerst de watervergunning, de melding, de meting en registratie en de dan de algemene vrijstellingen. Vanwege de overzichtelijkheid zijn de bepalingen over lozen en onttrekken op respectievelijk aan oppervlaktewaterlichamen en over het onttrekken van grondwater bij elkaar gezet. De meet- en registratieverplichting is wel in één bepaling gehandhaafd. De specifieke vrijstellingen zijn direct onder de verboden en verplichtingen geplaatst.
Zoals hoofdstuk 6 van de Wet veel omvattend is, zo is ook dit gedeelte van hoofdstuk 4 van de Keur redelijk uitgebreid. Getracht is door een indeling in soorten handelingen en in onderdelen van het watersysteem te maken, het reguleringsregime overzichtelijk te houden.
Op het ontwateren en afwateren van gronden ziet de Keur in de artikelen 4.7 en 4.8. Als waterschap moet je de bevoegdheid via keurinstrumentarium hebben om bijvoorbeeld het draineren van gronden en de daarmee gemoeide afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te reguleren. Voor het reguleren van grondwateronttrekkingen heeft het waterschap in eerste instantie het beleid van de provincie één op één overgenomen. De regulering is afgestemd op het bepaalde in de Waterverordening waterschap Veluwe. Waar nodig stelt het waterschap voor de wijze van toepassing van het instrumentarium beleidsregels vast.
Bij bijzondere waarden moeten we denken aan waarden van met name natuur, landschap en cultuurhistorie, zoals Rijk, provincie of gemeenten die aan een bepaald gebied/water hebben toegekend. Uiteraard moet het wel gaan om een min of meer watergerelateerde bijzonder waarde.
Artikel 4.15 Zorgplicht
Artikel 4.15 betreft de zorgplicht die ieder moet betrachten als het gaat om de maatregelen die het waterschap heeft getroffen in watersystemen met het oog op het bereiken van de waterhuishoudkundige doelstellingen die aan die onderdelen van watersystemen zijn verbonden of afbreuk doet aan de doelstelling behorende bij de functie die aan een waterstaatswerk is toegekend. De formulering is geënt op de artikelen 6.22a en 6.22b zoals de Invoeringswet Waterwet deze aan reikt. Verder is ook gekeken naar titel 17.2 van de Wet milieubeheer. Het artikel zoals dat nu in deze Keur is opgenomen, voorziet er in dat derden die schade toebrengen aan watersystemen voor die schade daadwerkelijk zullen moeten opdraaien.
Dit artikel draagt er toe bij dat het waterschap maatregelen van de derde kan eisen of alvast zelf maatregelen kan treffen bij (dreigende) schade, als omschreven in dit artikel. De kosten kan het waterschap verhalen op die derde, indien en voor zover die schade aan die derde is toe te rekenen. Het waterschap voorkomt hiermee dat investeringen gedaan om maatregelen aan het watersysteem uit te voeren om zo aan zijn verschillende wateropgaven te voldoen, niet weer teniet worden gedaan. Het waterschap moet er immers alles aan doen om die wateropgaven te halen, mede in het licht van de straks geldende Wet Naleving Europese regelgeving door mede overheden. Dat betekent dat het waterschap alle instrumenten waarover het beschikt, inzet om Europese verplichtingen na te komen. Het komt er derhalve op neer dat hij moet voorkómen dat anderen het werk van het waterschap frustreren. Naast een goed toezicht op de naleving van regels waarvoor het het bevoegde gezag is, dus ook een dergelijk afdwingen van de zorgplicht die burger en bedrijf hebben ten aanzien van watersystemen.