
Beken en sprengen zijn kenmerkend voor de Veluwe. Ze zijn heel waardevol voor natuur en landschap. Het water in beken en sprengen bestaat voor een groot deel uit kwelwater. Kwelwater is heel schoon grondwater dat vanzelf aan de oppervlakte komt. Door dit schone kwelwater kunnen er unieke planten in de beek leven, zoals bronkruid, bittere veldkers, teer vederkruid en duizendknoopfonteinkruid. Ook bijzondere dieren zoals beekprik, rivierdonderpad, weidebeekjuffer, ijsvogel en grote gele kwikstaart voelen zich in deze beken thuis.
De cultuurhistorie speelt een belangrijke rol. Een beek is van oorsprong natuurlijk en een spreng is door mensen gegraven. Een beek ontspringt ergens op de helling van de Veluwe bij een bron, waar grondwater vanzelf aan de oppervlakte komt. Al kronkelend zoekt de beek zijn weg naar beneden. De meeste sprengen echter, zijn tussen de 14e en 19e eeuw gegraven, om watermolens aan te drijven. Een aantal is ook gegraven om het Apeldoorns Kanaal van water te voorzien.
De opgeleide en beleemde Vlasbeek bij Epe
Men ging op de Veluweflank op zoek naar een plek waar het grondwater vrij hoog zat. Hier groef men een gat tot aan het grondwater. Dit heet de sprengkop. Het water werd vervolgens geleid via een gegraven spreng of een beek die al bestond richting de watermolen. Meestal is een stuk van de spreng opgeleid. Dit betekent dat men het water niet door het laagste punt liet lopen (wat het van nature wil) , maar op een hoger peil hield. De beek kwam in kaden te liggen op het normale maaiveldniveau. Men bekleedde de bodem met leem, zodat het water niet weg kon lopen. Door die opgeleide beek was het verval zo klein mogelijk. Als het water dan bij de molen aankwam, kon het in één keer twee á drie meter naar beneden vallen. Op deze manier werd optimaal gebruik gemaakt van de energie van het water.
De meeste papier- en watermolens bestaan niet meer. Een enkele is omgebouwd tot wasserij. De beken en sprengen zijn de vorige eeuw helemaal aan hun lot overgelaten. Ze groeiden dicht, of werden dichtgegooid. Andere beken liet men ondergronds door een buis lopen.
Vrijwilligers van de Stichting tot Behoud van de Veluwse Sprengen en Beken deden wat ze konden om de vele beken en sprengen te onderhouden. In 1984 kreeg het waterschap het beheer van de sprengen en beken. Samen met andere instanties werkt Waterschap Veluwe sinds die tijd aan het herstel van deze unieke beken en sprengen op de Veluwe. Daarbij wordt gekeken naar de verschillende functies van de beek: de afvoer van water, de natuur, het landschap en de cultuurhistorie.
Soerense Beek
Tijdens deze beekherstelprojecten krijgen sommige beken hun natuurlijke meanderende, dus kronkelende loop weer terug. Opgeleide beken krijgen weer een leemlaag. Steile oevers worden flauw gemaakt, waar dieren en planten van profiteren. Ook kan de beek op deze manier meer water vasthouden. We leggen vistrappen aan, zodat vissen weer naar de bovenloop kunnen zwemmen. Waar mogelijk legt het waterschap retenties aan. Dit zijn een soort bergingsvijvers. Hier kan het water tijdens hevige regen tijdelijk geparkeerd worden. Karakteristieke houtsingels, elzen en andere beekbegeleidende beplanting worden aangelegd om de herkenbaarheid van de beek in het landschap te herstellen.
Inmiddels is de helft van de zestig beken en sprengen op de Veluwe hersteld.