Waterschap Veluwe is verantwoordelijk voor een goede waterhuishouding. Daarom is het belangrijk dat we de wateren goed onderhouden. Het onderhoud aan zogenaamde A-wateren doet het waterschap zelf. Voor het onderhoud aan B-wateren zijn de aangrenzende eigenaren verantwoordelijk. Jaarlijks controleert het waterschap dit tijdens de schouw.
Bij het onderhoud kijken we naar de functie van de wateren. Die functie heeft de provincie vastgelegd in het Provinciaal Waterhuishoudingsplan. De functies variëren van ‘water voor landbouw’ tot ‘water van het hoogst ecologisch niveau’ (natuurfunctie). De onderhoudsmethoden passen we aan deze functies aan. Ook bij de frequentie en het tijdstip van het onderhoud houden we rekening met de functies van de wateren. Dit noemen we functiegericht onderhoud. Niet alleen onderhouden we de wateren, maar ook de duikers, stuwen, sluizen en gemalen.
Frequentie en tijdstip van onderhoud
Over het algemeen pleegt het waterschap één à twee keer per jaar onderhoud. Waar het kan, maaien we niet meer jaarlijks, bijvoorbeeld bij stadsvijvers en beken en sprengen. Bij de stadsvijvers krijgen de planten zo meer kans en ontstaat een meer natuurlijke woonomgeving. Ook bij water met hoge natuurwaarden bekijken we goed waar het wel en niet noodzakelijk is om te maaien. Bij een aantal beken en sprengen bijvoorbeeld verwijderen we alleen in het najaar het blad. Bij het maaien houden we zoveel mogelijk rekening met het broedseizoen. We proberen vogels en andere dieren zo min mogelijk te verstoren.
Onderhoudsmethoden
Bij het kiezen van een onderhoudsmethode kijken we niet alleen naar de functie van het water, maar ook naar de inrichting, de grootte, de bereikbaarheid en de plek van het water. Waar mogelijk gaat het waterschap over van onderhoudspaden voor smalspoormaterieel naar onderhoudsroutes voor breedspoormaterieel.
We gebruiken de volgende methoden:

Handmatig onderhoud
Dit gebeurt met name in het najaar en de winter in beken en sprengen met hoge natuurwaarden. Ook op plekken waar rijdend materieel niet bij kan, plegen we handmatig onderhoud.

Smalspooronderhoud
Bij smalspooronderhoud gebruiken we een maai-harkcombinatie met twee trekkers. De voorste trekker maait het pad en de bovenzijde van het talud. De achterste trekker maait het onderste stuk van het talud en een gedeelte van de bodem en harkt het maaisel op het onderhoudspad. Bij brede wateren moet soms de vegetatie op de waterbodem met een smalspoorkorfmaaier of met de maaiboot worden gemaaid.

Breedspooronderhoud
Bij breedspooronderhoud maaien we meestal met de maaikorf. Dit is een spijlenbak met een messenbalk. De waterdieren kunnen door de spijlen ontsnappen.
Klepelmaaier
De klepelmaaier gebruiken we op taluds. Het maaisel wordt met een afvoerbandje naar boven getransporteerd.

Maaiboot
Bij brede wateren waar je niet met een maaikorf bij kan en die voldoende diep zijn, maaien we met een boot. Vanuit de boot kunnen we ook met een maaiarm de onderzijde van het talud maaien.
Afvoer van maaisel
Het afvoeren van maaisel is duurder dan het te laten liggen. Maar afvoeren kan op sommige plaatsen de natuurwaarden versterken of in ieder geval zorgen voor minder ongewenste kruiden. Het afvoeren verschraalt namelijk de bodem, waardoor bijzondere planten meer kans krijgen. Daarom moet goed afgewogen worden waar we maaisel wel of niet afvoeren.
Bagger
Momenteel baggeren we slechts korte trajecten waar problemen ontstaan met de afvoer. De bagger mag ook niet te vervuild zijn, zodat die gewoon op de kant verwerkt kan worden. Verder baggeren we, vooral in stedelijk gebied, op locaties met vervuilde waterbodems. Dan voeren we de bagger af.
Beschoeiing
Als taluds instabiel zijn en inzakken, proberen we waar mogelijk met flauwere taluds de oevers stabiel te houden. Waar dat niet kan, verstevigen we ze met een beschoeiing. Daar waar in het verleden milieuonvriendelijke materialen zijn gebruikt, vervangen we deze bij herstelprojecten door milieuvriendelijke beschoeiing.
Onderhoudsplannen
In 2003 heeft het algemeen bestuur het Raamplan Onderhoud vastgesteld met een aantal algemene beleidslijnen. Deze dienen als basis voor de maai- en onderhoudsplannen die het waterschap voor de acht hoofdstroomgebieden maakt.